1.158 woorden, 6 minuten leestijd.
In mijn carriere heb ik al heel wat voorbij zien komen aan grappige, leuke, leerzame en soms bijzondere dingen. Op 1 april leuk om te delen, daarom de grappigste verhalen van bloopers in deze blog.
Wanneer inloggen verandert in een onverwachte escape room
De webshop van de klant was nét live — de digitale confetti hing nog in de lucht — toen de telefoon ging. Aan de andere kant van de lijn klonk pure paniek: “We kunnen niet meer inloggen! Helemaal niets werkt! Alles ligt plat!”
Dus begon mijn speurtocht. Ik probeerde elke browser, elke obscure IT‑truc die ik kende. En tot mijn verbazing… ik kon overal zonder problemen inloggen. Het mysterie werd alleen maar groter. Waren we gehackt? Had iemand per ongeluk op een knop gedrukt die je eigenlijk nooit mag aanraken?
Net toen ik me begon af te vragen of ik paranormale IT‑krachten had ontwikkeld, ging de telefoon opnieuw. De klant, hoorbaar opgelucht maar ook een tikje beschaamd, zei: “Je kunt stoppen met zoeken… we hebben de oorzaak gevonden.”
En daar kwam het. Het probleem dat een complete digitale crisis had veroorzaakt: Het toetsenbord zat niet aangesloten.
Geen hack, geen bug, geen systeemfout. Gewoon een stekker die dacht: “Vandaag even niet.”
De ochtendstart die niemand besteld had
De supportdesk werd opgebeld met de soort paniek die je normaal alleen hoort wanneer iemand per ongeluk op format C: heeft gedrukt. De server reageerde niet meer, het hele kantoor stond stil.
Na wat onderzoek bleek het nog erger: er kon niet eens verbinding worden gemaakt met de server. Geen ping, geen piep, geen teken van leven. Dus moest er iemand ter plaatse gaan kijken, alsof we een IT‑CSI‑team waren dat een plaats delict ging onderzoeken.
En daar, in de serverruimte, werd het mysterie in één klap opgelost. De oorzaak van de totale digitale meltdown? Het stopcontact van de server was in gebruik door… de stofzuiger.
De schoonmaker had de stekker eruit getrokken, vrolijk zijn rondje gedaan, en was daarna vergeten de server weer aan het infuus te hangen. En ineens viel ook een ander mysterie op zijn plek: waarom de server elke avond rond hetzelfde tijdstip “spontaan” uitviel. Juist ja — dat was precies wanneer de schoonmaker begon aan zijn avondronde.
Crisis bezworen, server weer aan, kantoor opgelucht. Eind goed, al goed… en de stofzuiger kreeg een officieel verbod om nog ooit in de buurt van kritieke infrastructuur te komen.
Als tabellen ineens verstoppertje spelen
Het was weer zover: een paniektelefoontje dat klonk alsof het hele bedrijf op instorten stond. Het ERP‑pakket wilde niet meer opstarten, en een halve afdeling stond met gekruiste armen te wachten tot “de IT” het weer zou fixen. Je kon de collectieve zucht tot in de serverruimte horen.
Na wat speurwerk werd al snel duidelijk dat het probleem… eh… substantieel was. De hele database was spoorloos verdwenen. Niet corrupt, niet verplaatst, niet verstopt — gewoon weggegooid. Waarom? Omdat iemand “even wat schijfruimte wilde vrijmaken”.
Nou, dat was dus uitstekend gelukt.
Daarna kwam de vraag die elke IT’er minstens één keer in zijn carrière hoort, meestal met een mengeling van hoop en wanhoop: “Jullie hebben toch nog wel ergens een back‑upje…?”
En op dat moment weet je: dit wordt zo’n dag waarop koffie geen luxe is, maar een noodzaak.
De meest vreemde vertalingen
In Business Central kun je alle velden vertalen, dus ook maatwerk velden die handmatig door engineers werden vertaald toen ChatGPT en zijn maten nog niet bestonden, de meest bijzondere vertalingen op een rij :
- Kunst mest administratie = Art manure administration
- Slot factuur = Invoice castle
- Bijwerken = bee work
- Kooi aap korting = cage monkey discount
- Zakgoed korting = baggage discount
Als een website-update verandert in een spoedcursus overleven achter het toetsenbord
Ergens rond 2002 werd ik op pad gestuurd om een medewerker van een zorginstelling te trainen in het bijhouden van de website. Vol goede moed, gewapend met mijn jonge IT‑enthousiasme, nam ik plaats achter een computer die nog draaide op Windows 95. Dat betekende: eerst even een kop koffie, want dat ding had de opstartsnelheid van een slak met tegenwind.
Toen het systeem eindelijk wakker was, begon ik enthousiast: “Klik de browser maar aan met de muis.” Mevrouw keek me aan alsof ik haar vroeg een wild dier te temmen. “Muis?” zei ze, met een gezicht alsof ze elk moment op haar stoel zou springen.
Ik wees naar het zwarte apparaatje op het bureau en legde uit dat ze daarmee de cursor over het scherm kon bewegen. Ze knikte langzaam, pakte de muis op… en zette hem vervolgens op het scherm. Alsof het een soort magnetisch aanwijsapparaat was dat vanzelf zijn werk zou doen.
Dat was dus niet helemaal wat ik bedoelde.
Op dat moment wist ik: dit werd geen training “website bijhouden”, dit werd een volledige spoedcursus “Computergebruik 101”. Maar eerlijk is eerlijk: het was een fantastische ervaring in mijn jonge carrière. En een waardevolle les: vraag voortaan eerst even of iemand überhaupt weet wat een muis is, voordat je begint over websites.
De ultieme mix van IT‑skills en huis-tuin-en-keukenagressie
Na de oplevering van een stukje software merkte ik voorzichtig op dat er “nog een paar bugs” rondzwierven die we moesten oplossen. Niets ernstigs, gewoon de gebruikelijke digitale fruitvliegjes.
De volgende keer dat ik bij de klant binnenstapte, stond er pontificaal op mijn bureau… een vliegenmepper. Met een grote grijns erbij: “Voor het geval jullie die bugs niet snel genoeg wegkrijgen.”
Daar stond ik dan, gewapend met het nieuwste stuk IT‑gereedschap: een analoog anti‑bug‑apparaat. En eerlijk? Het werkte verrassend motiverend.
Sindsdien check ik bij elke klantbezoek eerst even of er ergens een vliegenmepper klaar ligt — dat zegt namelijk precies hoeveel vertrouwen ze hebben in de software.
Wanneer computer’s diva’s blijken te zijn tijdens de verhuizing
In 1999 besloot ik mezelf te trakteren op mijn allereerste iMac. Je weet wel, die kleurrijke bolide die eruitzag alsof Apple een ruimteschip had ontworpen dat per ongeluk op een bureau was beland. Vol trots liep ik ermee naar mijn auto — een Suzuki Swift, die qua formaat meer leek op een rijdende rugzak dan op een volwaardige auto.
Al snel ontdekte ik dat de iMac in werkelijkheid… aanzienlijk groter was dan in de folder. Ik probeerde ’m op de achterbank te krijgen, draaide, kantelde, duwde — maar dat ding weigerde koppig om ook maar één centimeter mee te geven. Uiteindelijk bleef er nog maar één optie over: de bijrijdersstoel.
Daar zat hij dan. Mijn nieuwe iMac. Trots, massief, en volledig in de weg. Zicht naar rechts? Weg. Versnelling in z’n twee? Succes. Maar hé, ik ben thuisgekomen — al voelde het meer alsof ik een koelkast had vervoerd in een kinderwagen.
Rond diezelfde tijd vroeg mijn werkgever doodleuk of iedereen bij de verhuizing “even hun eigen computer wilde meenemen”. En dit was vóór de tijd van platte schermen. Dat betekende dus dat hele afdelingen door de stad trokken met uitpuilende auto’s, alsof we deelnamen aan een volksverhuizing.
Het was een andere tijd. Een tijd waarin computers zwaar waren, auto’s klein, en ergonomie vooral bestond uit hopen dat je geen hernia kreeg. Maar levert jaren later nog een lach op je gezicht op als je aan die tijd terug denkt.





